Brenda Spiegelt

Columns

Draagvlak

Draagvlak. “Vlak waarop een last drukt”. De enige definitie die de gratis Van Dale op internet biedt. Ik moest er wel om lachen, omdat het nogal treffend neerzet wat ik voel bij een bericht op nos.nl, over de stand van de Regionale Energiestrategieën (RES’en). Een bericht dat ook mijn eigen werk raakt, ambtenaar die zich bezighoudt met uitgifte van Rijksgronden voor Hernieuwbare Energie.

Het bericht citeert het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), onze rekenmeesters in deze barre tijden. Ook komt de minister aan het woord die gevraagd heeft de RES’en op te stellen. Je voelt dat beide aan een grote tafel zitten, het hoofd min of meer moedeloos in de handen gelegd. De energietransitie als last op de schouders van deze rekenmeesters. Geen bureau kan deze last dragen.

Beide maken zich namelijk nogal zorgen over ‘de betrokkenheid van burgers bij de RES’en’ en het feit dat in sommige regio’s het ‘draagvlak tot het nulpunt is gedaald”. Verrassende constatering voor de vertegenwoordiger van het ministerie dat eerst zelf, zonder iemand iets te vragen, met één handtekening het besluit neemt om heel veel windmolens vlakbij heel veel achtertuinen te zetten. Ik schat in dat het draagvlak op veel plekken in Nederland op het nulpunt ligt, gevolgd door het nulpunt op het thema vertrouwen. Gelukkig erkent de minister dat ook en stelt hij dat hiervan is geleerd. Als ik het vervolg lees, vraag ik me echter wel af wat we dan precies geleerd hebben.

Er volgt een heel gegoochel met termen. De conclusie van het PBL is dat er te weinig betrokkenheid is. En de minister merkt op dat die betrokkenheid moet leiden tot draagvlak. En dat het nog niet lukt om burgers mee te laten profiteren, in ambtelijke termen ‘financiële participatie’. Betrokkenheid, draagvlak, participatie. Allemaal termen die door elkaar lopen en er allemaal vanuit lijken te gaan dat als bewoners zich massaal hadden gemeld bij de RES’en en in grote getale hadden meegepraat over deze plannen er groot draagvlak was ontstaan. En dat mensen dan het idee van grote zonne- en windparken ineens wel met liefde hadden omarmt en in optocht naar het ministerie zouden gaan om van de minister te eisen dat hij heel snel nog een paar Inpassingsplannen zou optuigen.
Natuurlijk niet. En zo realistisch was het klimaatakkoord ook al. Daarom zetten we massaal in op financiële participatie. De gedachte uit het klimaatakkoord dat omwonenden 50% eigenaar moeten worden van een Hernieuwbaar Energieproject dat vlakbij hun achtertuin verrijst. Op die manier profiteren bewoners en is de hoop dat er meer draagvlak ontstaat. Ik blijf dat toch een wat wonderlijke manier van redeneren vinden:
“Nee, ik vind die enorme windmolen daar in dat prachtige weidse uitzicht helemaal niets.”
“Maar u mag zelf mede-eigenaar worden en daardoor ontvang u rendement!”
“Oh, als ik er geld voor krijg en zelf deels eigenaar ben, dan vind ik die herrie, die slagschaduw en dat verziekte uitzicht prima.”

Begrijp me niet verkeerd, ik ben ervan overtuigd dat we verder moeten met de klimaattransitie. Maar als ik naar mezelf kijk (als zijnde burger in dit land), dan zou ik ook weinig tijd / interesse hebben om in vochtige, warme zaaltjes (of zoals de huidige praktijk: via een onnavolgbare Zoom/Skype/Teams-sessie met veel te veel mensen) met ambtenaren te praten over waar mogelijke windmolenvlekken of zonneparkzoekgebieden zouden kunnen komen te liggen op een kaart. Waarbij je bij voorbaat al weet dat je een paar ambtenaren treft die vermoedelijk veel meer kennis hebben dan jijzelf. En met een beetje pech elk goed idee meteen onder een tapijt van bezwaren schuiven. Of je komt in een clubje professionele ‘nee-zeggers’ terecht, die om hen moverende (en wellicht zelfs terechte) redenen wat de overheid ook maar wil, wantrouwen. Mocht je al voorzichtig het gevoel hebben dat je wellicht bereid bent in te stemmen met een windmolenvlekje ergens binnen je gemeentegrenzen, dan trek je zeker in zo’n gezelschap je mond niet meer open.

De vraag is wat onze de verwachting was, bij de vraag aan de RES’en om bewoners te betrekken. Lokale bestuurders hebben in de RES’en geanticipeerd op de oorlogen die zijn gevoerd rondom de windmolenparken en deze bij voorbaat al bijna niet opgenomen. In de hoop dat de plannen die nu zijn ingediend straks in elk geval niet door het publiek worden afgeschoten. Het gevolg is nu echter dat het PBL de zorg uitspreekt dat de huidige plannen ‘minder efficiënt’ zijn. De minister geeft aan dat “we nu eerst de kosten in beeld gaan brengen”.
Kortom: het lijkt erop dat plannen die wellicht iets meer draagvlak zouden kunnen genieten onder burgers, niet op draagvlak van het ministerie kunnen rekenen. Deze voorzichtige wetenschap in combinatie met het feit dat boven de opdracht uit Den Haag, toch het spreekwoordelijke Damocleszwaard van de centrale taakstelling hangt, geeft de burger in elk geval weinig zekerheid.

Ik vermoed dat voor veel mensen het klimaatverhaal toch een ver van hun bed show blijft. Dat de zorgen van mensen concreter zijn dan een vlekkenplan op een kaartje. Toegegeven, daarbij kijk ik deels naar mezelf. Maar juist bij mezelf, ambtenaar die toch veel met dit onderwerp bezig is, bespeur ik dat ik me meer zorgen maak over de vraag of er in mijn wijk geen eenzame ouderen zijn. En hoe het verder moet met het onderwijssysteem, nu de lerarentekorten steeds verder oplopen. En de wetenschap dat er veel gezinnen in ons land nauwelijks kunnen rondkomen beklemt mij veel meer.

De term draagvlak dringt zich opnieuw op: ‘de te dragen last’. Als ik me als ambtenaar echt betrokken voel bij de zorgen van de burger met wie ik in gesprek raak, misschien ontstaat er dan ook een wederzijdse betrokkenheid, ruimte om de zorg over de klimaatproblematiek te delen. En misschien krijgt de burger dan het gevoel dat we de ‘lasten samen dragen’. De les die ik heb geleerd.

Oktober 2020

Column behorende bij dit artikel.