Brenda Spiegelt

Columns

Muntjes in een karretje

(Of: tegenstelling tussen stad en platteland)

‘Dat is niet nodig hier’. Eén seconde kijk ik verward naar de oudere dame voor me. Haar antwoord op mijn vraag blijft even hangen, alsof het de verkeerde sleutel is bij een slot.

De tweede dag van onze vakantie, dit jaar op de Utrechtse Heuvelrug. Op onze eerste dag eten we traditiegetrouw altijd patat. Nadat we hebben gereisd en hebben staan zwoegen om onze 20 m2 leefomgeving voor de komende twee weken, ook wel tent genoemd, enigszins acceptabel in te richten, is dat lekker makkelijk. Op dag twee worden er altijd boodschappen gedaan. Voorbereid als ik altijd ben, hoezo controlfreak die kamperen eigenlijk haat (?), heb ik thuis al de, even traditionele, boodschappenlijst uitgeprint. En deze van een nieuw jaartal voorzien. Vroeger stond er diksap en liga op, tegenwoordig hebben ze liever GingelAle en paprikachips.

Gewapend met de lijst kom ik bij de plaatselijke blauwe grootgrutter aan. Middelgroot parkeerterrein, met blauwe zone, met eromheen de winkels die je verwacht in één van de plaatsjes op de Utrechtse Heuvelrug. Twee drogisten, een supermarkt, een bakker en kaasboer, een Hema, een opticien en een huisarts. Bij de supermarkt een lange rij karretjes buiten, waardoor het pad naar de ingang smal wordt, ook door de wat onduidelijk scheidende coronamaatregelen. Bij de rij wacht ik beleefd tot twee dames hun eigen karretjes wegzetten en ik vraag of er een muntje in de kar moet. Bij mijn eigen supermarkt hoefde dat tijdelijk niet, in verband met de coronamaatregelen.

En dan krijg ik dit antwoord: ‘Dat is hier niet nodig’. Dan dringt door wat ze waarschijnlijk bedoeld. Hier, in deze rustige, dorpse omgeving, hier in dit provençaalse winkelcentrum zijn geen raddraaiers die karretjes stelen. Of mensen die de kar gewoon mee naar huis nemen, omdat ze te lui zijn om de boodschappen te tillen. In deze omgeving wonen, in tegenstelling tot de plek waar jij waarschijnlijk vandaan komt, alleen maar keurige mensen.
Gevoelens van verontwaardiging en verbazing strijden om aandacht, terwijl ik mijn karretje de supermarkt in manoeuvreer en driftig op zoek ga naar mijn lijst.

Maar waarom ben ik verbaasd? Ik ken toch de beelden van opgedregde winkelkarretjes uit diverse waters in mijn directe, inderdaad zeer stedelijke, omgeving? Of studenten die twintig kratten bier (leeg of vol) heen weer rijden met zo’n karretje? Wat overigens meteen illustreert dat die muntjes doorgaans weinig doen tegen mensen die echt een karretje willen meenemen.
Nee, de verbazing zit ‘m erin dat er blijkbaar mensen zijn voor wie het al of niet moeten toepassen van een muntje in de kar blijkbaar bepaald of het al of niet een keurige omgeving is. In dat kleine zinnetje ‘dat is niet nodig hier’, lijkt een wereld te zitten waarin men gelooft in een simpel onderscheid tussen nette buurten en niet nette buurten. Geen idee of de criminaliteit- of sociale cohesiecijfers dit ondersteunen, maar het idee is er blijkbaar.

Mijn groeiende verontwaardiging zit ‘m in de tegenstelling die hier bewust of onbewust wordt geschetst tussen dorp en stad. Ben ik dan zo’n bedroefde sukkel die in de stad woont? Zoals ik het zie, zijn beide aanwezig en noodzakelijk in dit land. Het is onnodig om en ook schadelijk, een moreel onderscheid te maken tussen deze twee. Beide hebben een functie en maken het land divers en aantrekkelijk.

Maar ja, wat kan ik met mijn frustratie? Ik had natuurlijk meteen moeten zeggen: ‘Oh sorry dat ik niet meteen in de gaten had dat hier geen criminelen wonen’. Helaas behoor ik bij die groep mensen die altijd pas later verzinnen hoe ze eerder ad rem hadden moeten reageren. En waarschijnlijk had ik met dit antwoord alleen maar het beeld bevestigd dat die stadse lui brutale vlegels zijn.

Een paar dagen later, dezelfde supermarktketen, één dorp verderop. Met een grote grijns loop ik naar buiten. Ha, hier wel gewoon muntjes in de karretjes. Wat zullen de raddraaiers hier balen. Jongens, één dorp verderop is het nog gratis!


Zomer 2021