Brenda Spiegelt

Columns

Kuieren

Kuieren noemen ze dat. Zomaar een beetje rondwandelen, in een niet al te hoog tempo, zonder enig concreet doel voor ogen. De Dikke Van Dale geeft als eenvoudige definitie: op zijn gemak wandelen. En dat was exact wat ik op deze heerlijke zondagmiddag in nazomerweer besloot te gaan doen.

Zomaar een willekeurig rondje lopen door de wijk waar ik woon. Terwijl ik zo een beetje rondkuierde kwam ik bij de rivier. Ik woon in een nogal waterrijke stad, met de daarbij onvermijdelijk behorende bruggen. In mijn normale dagelijkse bestaan uiteraard regelmaat vervloekt, omdat ze, om voor mij volstrekt onduidelijke redenen altijd in de spits (lees: mijn spits), open staan.
Terwijl ik op zo’n moment altijd zeer dringend, mezelf helemaal hijgend in het zweet aan het fietsen was, omdat ik net iets-je-pietsje te laat was vertrokken, maar het met mijn topconditie toch nog wel zou redden. Totdat je dan in de buurt van de brug aankomt en je op afstand het gebel al hoort. En er vervolgens drie boten achterelkaar tergend langzaam doorheen sukkelen. Maar vandaag geheel anders. Jammer eigenlijk, want bij kuieren zou het niet uitgemaakt hebben of die brug open had gestaan. In de niet haast had ik er wellicht zelfs van kunnen genieten.

Bij al die bruggen kun je naar beneden met trappen aan alle kanten, waarna je je wandeling kunt voortzetten langs de kade. Ik besluit dat te doen. Ik kuier de trap af (kan dat?) en dan valt mijn oog op een soort van metalen gootje dat met flinke bouten is bevestigd op de best wel steile, want best wel oude trap. In mijn ervaring zijn oude trappen altijd steil.
Mijn eerste associatie is een nogal ruim uitgevallen knikkerbaan, maar ik neem toch aan dat hier geen kostbaar belastinggeld aan wordt besteed. Zonde ook van die knikkers, die zouden allemaal het water in flikkeren. Een volgende gedacht is: ‘het zal wel kunst zijn’. Dat geldt tenslotte voor menig vreemd ding dat zomaar op willekeurige plekken in de openbare ruimte gesmeten is. Ik kijk driftig om me heen naar een bordje met uitleg. Maar helaas.

En toen won de eenvoud het weer, het was natuurlijk een fietsgootje. Zo’n gleuf waar je je voorwiel inzet en dan met veel hijsen en sjorren je fiets in omhoog duwt, of omgekeerd naar beneden suist. Waarbij het ding of bijna uit je handen lazert, of jij met fiets en al naar beneden lazert. U begrijpt het, ik gebruik ze nooit, ik fiets liever een klein stukje om, of loop gewoon.


Starend naar dit stuk metaal, dat vreemd zwevend was vastgezet aan deze oude trap vroeg ik me oprecht af hoe dit nu zo was ontstaan in de directe omgeving. Bij elke brug zijn er sowieso legio korte omfietsroutes. Welke halvegare zou zijn leven wagen om op deze steile trap z’n fiets in zo’n gootje te frommelen?
Ik zag spontaan overijverige ambtenaren, die bezig waren met het uitwerken van de ideeën van dit fietsvriendelijke college. En toen was er één die echt het summum van fietsirritatie vond: al die trappen bij bruggen. Als ze daar nu eens wat aan gingen doen.


Mijn handen jeuken om op internet op te zoeken of dit niet ergens is vastgelegd in één of andere trotse beleidsnota. En: nog interessanter: zou ook zijn onderzocht hoeveel mensen daadwerkelijk gebruik maken (meer dan één keer bedoel ik) van die gootjes. Bij grote aantallen ben ik uiteraard de eerste om mijn ongelijk in deze column toe te geven!


Wacht, wacht, ik was aan het kuieren. Ik was zonder doel op weg. Ik besluit om dit allemaal los te laten. Even later kom ik weer bij een brugtrap. Deze keer in een hoek, dus eigenlijk twee trappen, met er tussenin een klein plateautje. De eerste trap heeft wel een gootje, de tweede niet.

Vanaf daar word je geacht lopend verder te gaan. Of toch even om te fietsen. Ik kuier gniffelend verder. Ambtelijke ongehoorzaamheid.

15 september 2020